Over onze gastsprekers

Onze gastsprekers vertellen elk hun persoonlijk verhaal over de oorlog. Er zijn ongeveer 215 gastsprekers aangesloten bij het Steunpunt Gastsprekers.

Hiervan is:

  • 55% eerste generatie ooggetuige
  • 41% naoorlogse generatie
  • 4% jonge veteranen van recente
  • vredesmissies

Achtergronden van onze gastsprekers:

  • Joods
  • Verzet & kinderen van verzetsdeelnemers
  • Nederlands-Indië
  • Roma & Sinti
  • Burgers & oorlogsgetroffenen
  • Kinderen van politiek foute ouders
  • Dwangarbeiders
  • Moluks
  • Jonge veteranen

Micha Gelber
Joods kampoverlevende

Micha Gelber is geboren op 28 september 1935 te Ede. Hij is vierenhalf jaar oud als de Duitsers Nederland binnenvallen. De tiende mei 1940 herinnert Micha zich zo scherp, dat daar ‘zijn leven begint’. Zeven, bijna acht is Micha als hij in juli 1943 in kamp Westerbork  aankomt. Vijf maanden later, in januari 1944, wordt hij met zijn vader, moeder en oudere broer gedeporteerd  naar Bergen-Belsen. 

Hoewel de geallieerden in april 1945 van alle kanten oprukken, komt aan het oorlogsleed van Micha Gelber en zijn familie nog geen einde. De nazi’s maken drie treinen gereed voor vertrek naar onbekende bestemming in het oosten. Als onderdeel van wat bekend zal worden als het Verloren Transport eindigt de vreselijke reis na veertien dagen in Tröbitz, tussen Leipzig en Dresden. Op de ochtend van 24 april 1945 wordt het treinstel bevrijd door de Russen. In de dagen erna sterven nog veel inzittenden door ziekte en verzwakking. Zo niet het gezin Gelber, waarvan iedereen overleeft; een unicum.
Micha emigreert met ouders en broer in 1951 naar Israël en komt door een speling van het lot uiteindelijk weer terug  naar Nederland. Hij wordt een wereldburger. Hij woont voor kortere of langere tijd in de Verenigde Staten, Rusland en Oekraïne en maakt veelvuldig internationale zakenreizen. Maar altijd is daar op de achtergrond de Tweede Wereldoorlog. Gebukt gaat hij er niet onder, maar het bepaalt wel veel van zijn handelen en zijn levensloop. Nu woont Micha Gelber alweer jaren in Rotterdam en gebruikt hij zijn tijd voor tal van activiteiten, niet in de laatste plaats om te getuigen en de fakkel brandend te houden.
In 2009 verscheen zijn autobiografie "Bergen-Belsen en daarna" (uitgeverij Verbum).

Salo Muller
Joods onderduikoverlevende

Salo Muller is in 1936 in Amsterdam geboren als zoon van een Joods echtpaar.
 “Tot vanavond en lief zijn hoor…” Dat waren de laatste woorden van moeder toen ze Salo in 1942 naar school bracht. Enkele uren later werd ze bij een razzia opgepakt en samen met haar man afgevoerd naar Westerbork, het tussenstation naar de eindbestemming Auschwitz. De ouders van Salo werden daar vermoord. Hijzelf moest als kind van 5 jaar onderduiken.
 Nadat zijn ouders waren opgepakt kwam Salo, via de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg, terecht bij zijn oom Louis en tante Ju.
 “Ik was weg uit die rare crèche, en weer veilig bij mijn oom en tante. Totdat ik zag dat mijn tante een klein koffertje inpakte. Dat was voor mij. Ik moest dezelfde avond alweer weg. Nu begon mijn tocht langs verschillende adressen. Van Amersfoort naar Zaandijk, naar Koog aan de Zaan en naar Friesland. Ik vond het naar en eng om onderweg te zijn. Je ging naar het onbekende, waar je steeds weer met nieuwe, vreemde mensen moest omgaan.”
Uiteindelijk verbleef Salo, onder de schuilnaam Japje Mulder, tot het eind van de oorlog bij pleegouders in het Friese Ureterp. Toen tante Ju na de bevrijding Salo kwam ophalen, raakte hij helemaal in de war. Moest hij nu ook weer uit Ureterp weg? En zou hij nu zijn vader en moeder weer terugzien? De angst om alweer onderweg te zijn naar een onbekende omgeving, maakte Salo ziek en onzeker.
Na de oorlog werd Salo fysiotherapeut en maakte in deze functie de grote successen van Ajax in de jaren zeventig mee. Hij zat naast Rinus Michels op de bank en behandelde de kwetsuren van grote voetballers zoals Johan Cruijff. 

De pijnlijke jeugd van Salo is van grote invloed geweest op zijn verdere leven. “Ik had last van extreme verlatingsangst, vooral bij Europese uitwedstrijden met het gouden Ajax van Rinus Michels, Piet Keizer en Johan Cruijff.” Tot op de dag van vandaag loopt Salo rond met de vraag “Hoe heeft dit kunnen gebeuren?”

Salo Muller ontving op 11 september 2020 een koninklijke onderscheiding van burgemeester Femke Halsema. Dit vanwege zijn inzet om de rol van de NS tijdens de oorlog onder de aandacht te brengen. De Duitse bezetter gaf de Nederlandse Spoorwegen in 1942 opdracht treinen in te zetten voor het vervoer van Joden naar Kamp Westerbork en Vught. Daar kreeg de NS geld voor. De laatste jaren spande Salo Muller zich in voor NS schadevergoedingen aan slachtoffers van de jodenvervolging of hun nabestaanden. Zijn inzet wierp vruchten af. De NS kwam met een financiele tegemoetkoming. 

Hans van Beem
kind van verzetsdeelnemer

Hans van Beem is na de oorlog geboren (Bussum, 1950) als kleinzoon van verzetsman Johannes (Han) van Beem. Wanneer Hans als kleine jongen bij zijn grootmoeder logeert, vind hij op een dag een doos met foto’s, ansichtkaarten, brieven en een dagboekje uit de oorlog. Op zijn nieuwsgierige vragen krijgt Hans echter weinig antwoorden; grootmoeder wil er niets over zeggen. Het enige wat Hans hoort is “dat is van je grootvader en die ligt nu in Oost-Duitsland begraven”. Uiteindelijk is Hans zelf op onderzoek uit gegaan. Wie is zijn grootvader? Wat is er met hem in de oorlog gebeurd? Na verloop van tijd vallen de puzzelstukjes op zijn plaats. Het blijkt dat grootvader in het verzet zat en bij een razzia in Santpoort is opgepakt door de Duitsers. Via strafkamp Amersfoort komt grootvader terecht in concentratiekamp Neuengamme. Vlak voor de bevrijding wordt hij, na een korte tijd gevangen te hebben gezeten in concentratiekamp Ravensbrück, na een dodenmars bevrijd door de Russen. Enkele dagen na de bevrijding, op 20 mei 1945, sterft grootvader en wordt begraven in een klein dorp in Duitsland. In een dagboekje heeft grootvader de laatste dagen van zijn leven beschreven. De oorlog van grootvader is óók de oorlog van Hans geworden. Hans: “Ik hoop kinderen te kunnen vertellen wat het is om geen grootvader te hebben gekend”.

Annemarie ten Brink
Kampoverlevende Nederlands-Indië

Annemarie ten Brink is geboren in 1931 in Nederlands Indië.

Het gezin - vader, moeder en vier kinderen - woont in Soerabaja op Java.
Als de Japanners in 1942 Nederlands-Indië bezetten, is Annemarie elf jaar oud.
Vader is marine-officier en commandant van een mijnenlegger. Hij overleeft de Slag op de Javazee en vlucht met zijn gezin de bergen in.  Vader wordt echter toch opgepakt en krijgsgevangen gemaakt, waar hij in augustus 1942 al overlijdt omdat er geen medicijnen zijn.
Ondertussen zijn moeder en de vier kinderen ook opgepakt en worden op transport gesteld. De lange treinreis in een volgepakte, warme, geblindeerde trein, met bedervend eten en geen drinken, is een verschrikking. Ze worden geïnterneerd in kamp Semarang-Karang Panas, waar de omstandigheden heel slecht zijn. Na vier maanden volgt deportatie naar Ambarawa Kamp 6. Ook in dit overvolle kamp is de situatie slecht: lekkende daken, eindeloos in de rij moeten staan, getuige zijn van mishandeling. Het weinige en slechte  voedsel, en de slechte hygiëne leiden tot hongeroedeem en ziektes. Annemarie die inmiddels 12 jaar is, hoort bij de corvédiensten.
Na de capitulatie van Japan in augustus 1945 blijkt de vrijheid van korte duur. Vanwege de Indonesische vrijheidsstrijd (Bersiap) is het te gevaarlijk buiten het kamp. Om beschermd te worden tegen gewapende en wraakzuchtige Indonesische jongeren (Pemuda) gaat het kamp weer dicht. Nu onder bescherming van de Japanse soldaten, omdat de geallieerden nog niet zo ver het land zijn binnengedrongen.
Na maanden van spanning, onzekerheid en aanvallen van de Pemuda, worden ze uiteindelijk door het Britse leger geëvacueerd naar de havenstad Semarang, van waaruit ze in december 1945 naar Nederland getransporteerd worden. De repatriatie gaat via Ceylon waar Annemarie, haar moeder, zusjes en broertje 4 maanden in een open kamp verblijven omdat het schip geen winteraccomodatie heeft. In Nederland neemt de familie hen een half jaar liefdevol op. Daarna wonen ze gedurende vijf jaar in een vakantiehuisje op de Veluwe.
 

Zoni Weisz
Roma en Sinti

Zoni Weisz is in 1937 geboren in een Sintigezin in Den Haag, destijds ‘zigeuners’ genoemd. Zijn vader is muzikant en instrumentenmaker. Om de kost te kunnen verdienen reist de familie Weisz met een woonwagen door het hele land. Het familieorkest verzorgt ook optredens. Wanneer per juli 1943 woonwagenbewoners niet meer mogen rondtrekken van de Duitse bezetter, huurt vader Weisz een winkelpand in Zutphen. Op 16 mei 1944 worden alle 'zigeuners' en 'woonwagenbewoners' in Nederland opgepakt, ook de familie Weisz. Het gehele gezin, op één na: Zoni ontkomt aan deze razzia omdat hij op dat moment toevallig bij zijn tante logeert. Na enkele bange dagen ondergedoken gezeten te hebben wordt Zoni alsnog ontdekt, gearresteerd en naar Westerbork gestuurd. Met behulp van een ‘goede’ politieagent lukt het Zoni om op het nippertje te ontsnappen aan de gereedstaande trein naar Auschwitz: hij springt op hetzelfde perron in een andere trein. Na deze ontsnapping volgt een tijd van ontberingen en angst in de onderduik. Na de bevrijding blijkt dat Zoni als enige van zijn gezin is overgebleven. Zijn moeder, twee zusjes en een broertje zijn vermoord in Auschwitz. Zijn vader komt in een ander concentratiekamp in Polen om als gevolg van dwangarbeid. In februari 2016 is zijn autobiografie "Zoni - de vergeten holocaust" (uitgeverij Luitingh - Sijthoff) verschenen.

Berdine van Leeuwen
burger oorlogsgetroffene

Berdine van Leeuwen is geboren in 1938, als vijfde kind in een gezin van totaal zeven kinderen. Toen de oorlog uitbrak moesten haar twee oudste broers in Duitsland gaan werken. Omdat vader bij de Fokkerfabrieken werkte, woonden zij in Amsterdam-Noord vlak bij de fabrieken toen deze op 17 juli 1943 door Amerikaanse piloten gebombardeerd zouden worden. Het bleek een vreselijke misser te zijn, want niet de vliegtuigfabriek werd getroffen maar een deel van de woonwijk. Een bom raakte hun huis. Berdine kon met haar moeder er uit vluchten maar vader en broertje Gerrit raakten erg gewond en overleden. Moeder, broer Wouter en Berdine hadden bijna geen eigen spullen meer en ze moesten bij familie en kennissen logeren, tot dat zij een huis kregen toegewezen in het stadsdeel Amsterdam-Zuid. Dit bleek een huis waar Joden uitgehaald waren die op transport naar Westerbork of Duitsland waren gesteld. Zo kwam het leven voor hen weer op gang, zonder vader en zonder broertje. In de hongerwinter van 1944 was moeder veel ziek was en zonder energie om voor haar kinderen te zorgen. Berdine en haar broer deden van alles om aan brandstof en eten te komen. Zij gingen bijvoorbeeld aardappelschillen ophalen die haar broer kon ruilen tegen een pannetje melk.

Leny Crins-Probst
Krijgsgevangenschap

Leny Crins-Probst  is op 10 september 1950 geboren in Tegelen. Haar vader, destijds 26 jaar en militair werd in het voorjaar van 1943 net als circa 11.000 landgenoten als krijgsgevangene afgevoerd naar Duitsland om er te werken. Na een verblijf van enkele weken in een kamp in Mühlberg (in de buurt van Dresden) kwam hij uiteindelijk terecht in de zogenaamde  “hel van Brüx”  in het huidige Tsjechië. Circa 1200 Nederlanders verbleven er in het Franse Lager 17/18 dat deel uitmaakte van tal van kampen met krijgsgevangenen van diverse nationaliteiten. Deze lagen rond een immens fabriekscomplex (Sudetenländische Treibstoffwerke Hermann Göring) waar wel tot 50.000 arbeidskrachten werkzaam waren. Met name de vele bombardementen door de geallieerden vanaf mei 1944, het betrof namelijk een petrochemisch bedrijf waar onder meer benzine werd geproduceerd, maakten het verblijf tot een hel: ‘de hel van Brüx’. Velen overleefden het dan ook niet. Na te zijn bevrijd door het Russische leger werd hij in mei 1945 door Amerikaanse militairen  gerepatrieerd. 
Mevrouw Crins-Probst heeft intensief onderzoek gedaan naar het krijgsgevangenschap van haar vader en er een boek over geschreven: "Eindstation 'de hel van Brüx' 1943-1945" (2018) 

Orpa Goergoerem
Moluks

“Wanneer ik vertel dat ik in Schattenberg, kamp Westerbork, geboren ben, dan schrikt iedereen altijd”. Orpa Goergoerem is geboren in 1952 in Woonoord Schattenberg, het voormalige Kamp Westerbork. Haar vader heeft als Koninklijk Nederlands Indisch Militair meegevochten in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd en moet kort na het uitroepen van de Republiek het land verlaten. Samen met Orpa’s moeder vertrekt hij naar Nederland. Ze komen terecht in Woonoord Schattenberg en twee dagen na aankomst bevalt Orpa’s moeder hier van een zoon. Sjors sterft in het kraambed. Voor haar vader wordt het drama nog groter als hij kort hierna te horen krijgt dat hij geen militair meer mag zijn. “De teleurstelling bij mijn vader was erg groot. Hij was militair en had een bepaalde status en opeens was hij helemaal niets meer... “. Het tijdelijk verblijf in Nederland blijkt in de jaren die volgen een illusie te zijn. De opvoeding van de kinderen blijft al die tijd echter in het teken van ‘de terugkeer’ staan. In Schattenberg woont de familie Goergoerem in barak nummer zeven. “We zaten met meerdere gezinnen in één barak. Daarnaast had ik ook nog twee ooms die bij ons inwoonden. Het was altijd een drukke, maar wel gezellige boel”. Het leven van Orpa is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van haar geboorteplek: Kamp Westerbork alias Woonoord Schattenberg.

Mediakit

Wenst u in contact te komen met een ooggetuige of gastspreker? Bespreek uw wensen met het team van het Landelijk Steunpunt Gastsprekers via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of
06-21 95 52 68.

Heeft uw wens betrekking op Kamp Westerbork, neemt u dan contact op met onze collega’s van Kamp Westerbork via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of 0593-592600.

steun ons