Over onze gastsprekers

Onze gastsprekers vertellen elk hun persoonlijk verhaal over de oorlog. Er zijn ruim 230 gastsprekers aangesloten bij het Steunpunt Gastsprekers.

Hiervan zijn:

  • 75% eerste generatie ooggetuige
  • 20% naoorlogse generatie
  • 5% jonge veteranen van recente
  • vredesmissies

Achtergronden van onze gastsprekers:

  • Joods
  • Verzet & kinderen van verzetsdeelnemers
  • Nederlands-Indië
  • Roma & Sinti
  • Burgers & oorlogsgetroffenen
  • Kinderen van politiek foute ouders
  • Dwangarbeiders
  • Moluks
  • Jonge veteranen

Henny Dormits
Joods kampoverlevende

Henny Dormits is in 1929 in Den Haag geboren. Zij duikt samen met haar ouders in 1942 onder, waarna ze in 1943 worden verraden en gearresteerd. Via de gevangenis in Scheveningen wordt het gezin naar kamp Westerbork gedeporteerd. Omdat zij in het bezit zijn van dooppapieren, komen Henny met haar zus en moeder terecht in een speciale barak voor gedoopte Joden. Haar vader wordt beschouwd als een strafgeval, maar wordt door een vriend die arts was ziek verklaard en komt in het ziekenhuis terecht; dit is zijn redding geweest. Vanwege de speciale dooppapieren hoeft het gezin in eerste instantie niet op transport. Henny werkt in de buitendienst op het land. Ze moet wagons lossen en is ordonnans. Uiteindelijk wordt het gezin Dormits op 4 september 1944 alsnog gedeporteerd naar concentratiekamp Theresienstadt. Na vijf maanden Theresienstadt krijgt de gedoopten-groep bericht om zich te melden voor transport naar Zwitserland. De nazi’s blijken gebrek aan medicamenten en verbandmiddelen voor het front te hebben, waardoor zij besluiten tot een uitwisseling van 1200 mensen uit het concentratiekamp. En zo worden zij op 7 februari 1945 naar Zwitserland gebracht. Een wonderbaarlijke bevrijding.

Jacques van Trommel
Joods onderduikoverlevende

Jacques van Trommel is in 1934 geboren in Rotterdam. Hij groeit op in Scheveningen met zijn oudere broer en jongere zus in een niet-religieus Joods gezin. Vanwege de anti-Joodse maatregelen moet Jacques in 1942 een Jodenster dragen, mag hij niet meer gebruik maken van openbaar vervoer en verplicht naar een andere school voor Joodse kinderen. De dag dat Jacques door een koerierster alleen wordt achtergelaten op zijn onderduikadres, een boerderij in het Twentse Azelo, herinnert hij zich ondanks zijn 7-jarige leeftijd “als de dag waarop hij volwassen werd”. Jacques heeft het zwaar: hij moet volledig meewerken op de boerderij en heeft last van eenzaamheid en verdriet. Vanaf de eerste dag in de onderduik is hij waakzaam en dat zorgt ervoor dat hij zichzelf steeds op tijd in veiligheid kan brengen. Verstoppen in het hooi, of de omgeving rond de boerderij; het zijn voor Jacques angstige momenten. Na de bevrijding volgen onrustige jaren waarin Jacques wel herenigd wordt met moeder, broer en zus, maar bij gebrek aan geld en goederen, niet samenwonen. Met zijn broer wordt hij ondergebracht op een boerderij. Dit keer is de opvang zeer warm en liefdevol. Voor Jacques is het moeilijk om na de oorlog een gewoon gezinsleven te ervaren. Daarnaast drukt het verlies van opa en oma Van Trommel, die in Sobibor zijn omgebracht, zeer zwaar op hem. Jacques van Trommel vertelt zijn verhaal om leerlingen te laten zien welke invloed angst en eenzaamheid kunnen hebben op je leven als kind en volwassene.

Hans van Beem
kind van verzetsdeelnemer

Hans van Beem is na de oorlog geboren (Bussum, 1950) als kleinzoon van verzetsman Johannes (Han) van Beem. Wanneer Hans als kleine jongen bij zijn grootmoeder logeert, vind hij op een dag een doos met foto’s, ansichtkaarten, brieven en een dagboekje uit de oorlog. Op zijn nieuwsgierige vragen krijgt Hans echter weinig antwoorden; grootmoeder wil er niets over zeggen. Het enige wat Hans hoort is “dat is van je grootvader en die ligt nu in Oost-Duitsland begraven”. Uiteindelijk is Hans zelf op onderzoek uit gegaan. Wie is zijn grootvader? Wat is er met hem in de oorlog gebeurd? Na verloop van tijd vallen de puzzelstukjes op zijn plaats. Het blijkt dat grootvader in het verzet zat en bij een razzia in Santpoort is opgepakt door de Duitsers. Via strafkamp Amersfoort komt grootvader terecht in concentratiekamp Neuengamme. Vlak voor de bevrijding wordt hij, na een korte tijd gevangen te hebben gezeten in concentratiekamp Ravensbrück, na een dodenmars bevrijd door de Russen. Enkele dagen na de bevrijding, op 20 mei 1945, sterft grootvader en wordt begraven in een klein dorp in Duitsland. In een dagboekje heeft grootvader de laatste dagen van zijn leven beschreven. De oorlog van grootvader is óók de oorlog van Hans geworden. Hans: “Ik hoop kinderen te kunnen vertellen wat het is om geen grootvader te hebben gekend”.

Annemarie ten Brink
Kampoverlevende Nederlands-Indië

Annemarie ten Brink is geboren in 1931 in Nederlands Indië.

Het gezin - vader, moeder en vier kinderen - woont in Soerabaja op Java.
Als de Japanners in 1942 Nederlands-Indië bezetten, is Annemarie elf jaar oud.
Vader is marine-officier en commandant van een mijnenlegger. Hij overleeft de Slag op de Javazee en vlucht met zijn gezin de bergen in.  Vader wordt echter toch opgepakt en krijgsgevangen gemaakt, waar hij in augustus 1942 al overlijdt omdat er geen medicijnen zijn.
Ondertussen zijn moeder en de vier kinderen ook opgepakt en worden op transport gesteld. De lange treinreis in een volgepakte, warme, geblindeerde trein, met bedervend eten en geen drinken, is een verschrikking. Ze worden geïnterneerd in kamp Semarang-Karang Panas, waar de omstandigheden heel slecht zijn. Na vier maanden volgt deportatie naar Ambarawa Kamp 6. Ook in dit overvolle kamp is de situatie slecht: lekkende daken, eindeloos in de rij moeten staan, getuige zijn van mishandeling. Het weinige en slechte  voedsel, en de slechte hygiëne leiden tot hongeroedeem en ziektes. Annemarie die inmiddels 12 jaar is, hoort bij de corvédiensten.
Na de capitulatie van Japan in augustus 1945 blijkt de vrijheid van korte duur. Vanwege de Indonesische vrijheidsstrijd (Bersiap) is het te gevaarlijk buiten het kamp. Om beschermd te worden tegen gewapende en wraakzuchtige Indonesische jongeren (Pemuda) gaat het kamp weer dicht. Nu onder bescherming van de Japanse soldaten, omdat de geallieerden nog niet zo ver het land zijn binnengedrongen.
Na maanden van spanning, onzekerheid en aanvallen van de Pemuda, worden ze uiteindelijk door het Britse leger geëvacueerd naar de havenstad Semarang, van waaruit ze in december 1945 naar Nederland getransporteerd worden. De repatriatie gaat via Ceylon waar Annemarie, haar moeder, zusjes en broertje 4 maanden in een open kamp verblijven omdat het schip geen winteraccomodatie heeft. In Nederland neemt de familie hen een half jaar liefdevol op. Daarna wonen ze gedurende vijf jaar in een vakantiehuisje op de Veluwe.
 

Zoni Weisz
Roma en Sinti

Zoni Weisz is in 1937 geboren in een Sintigezin in Den Haag, destijds ‘zigeuners’ genoemd. Zijn vader is muzikant en instrumentenmaker. Om de kost te kunnen verdienen reist de familie Weisz met een woonwagen door het hele land. Het familieorkest verzorgt ook optredens. Wanneer per juli 1943 woonwagenbewoners niet meer mogen rondtrekken van de Duitse bezetter, huurt vader Weisz een winkelpand in Zutphen. Op 16 mei 1944 worden alle 'zigeuners' en 'woonwagenbewoners' in Nederland opgepakt, ook de familie Weisz. Het gehele gezin, op één na: Zoni ontkomt aan deze razzia omdat hij op dat moment toevallig bij zijn tante logeert. Na enkele bange dagen ondergedoken gezeten te hebben wordt Zoni alsnog ontdekt, gearresteerd en naar Westerbork gestuurd. Met behulp van een ‘goede’ politieagent lukt het Zoni om op het nippertje te ontsnappen aan de gereedstaande trein naar Auschwitz: hij springt op hetzelfde perron in een andere trein. Na deze ontsnapping volgt een tijd van ontberingen en angst in de onderduik. Na de bevrijding blijkt dat Zoni als enige van zijn gezin is overgebleven. Zijn moeder, twee zusjes en een broertje zijn vermoord in Auschwitz. Zijn vader komt in een ander concentratiekamp in Polen om als gevolg van dwangarbeid. In februari 2016 is zijn autobiografie "Zoni - de vergeten holocaust" (uitgeverij Luitingh - Sijthoff) verschenen.

Frits Loggen
burger oorlogsgetroffene

Frits Loggen is geboren in 1935 in Enschede. Zijn vader is fabrieksarbeider bij een textielfabriek. 
Wanneer de oorlog uitbreekt wordt vader gemobiliseerd; hij moet helpen om het Nederlandse leger te bevoorraden. Na enkele maanden komt vader heelhuids weer thuis. 
Vanaf 1942 is er regelmatig luchtalarm en is Frits van dichtbij getuige van  luchtgevechten. Omdat de familie Loggen vlakbij het vliegveld woont, komen deze gevechtshandelingen wel heel dicht bij. Op Goede Vrijdag in 1943 wordt de school getroffen door twee bommen. Frits heeft daarna veel vrije tijd. Huiswerk wordt gemaakt bij kaarslicht of een carbidlamp. 
Diverse keren is Frits getuige van razzia’s. Een buurjongen wordt bij een razzia op de vlucht gedood. Ook maakt het grote indruk op Frits als een Duitse officier bij een andere razzia een hond doodschiet. In oktober 1943 komt Frits midden in een bombardement terecht. Omdat er in de schuilkelder geen plaats meer is, vluchten Frits en zijn vriendje richting huis. Terwijl het puin hen om de oren vliegt lukt het Frits uiteindelijk om veilig thuis te komen. Bij het bombardement van 22 februari 1944 wordt het huis van zijn grootouders geraakt door brandbommen en brandt af. Omdat vader bij het Rode Kruis actief is, is Frits regelmatig te vinden bij de opvang  van dwangarbeiders die vanwege ziekte naar huis werden gestuurd.  Dat maakt een grote indruk op de jonge Frits.

Jeanne Diele-Staal
kind van politiek foute ouders

Jeanne Diele-Staal is in 1938 in Almelo geboren. Haar vader is als lid van de NSB betrokken bij het arresteren en ophalen van joden in Almelo. Op Dolle Dinsdag (5 september 1944) vlucht het gezin per goederentrein naar Duitsland. Na een kort verblijf keren ze in december 1944 terug naar Almelo. Deze treinreis zal een dramatische gebeurtenis worden. Vlak voor de bevrijding in 1945 slaat het gezin opnieuw op de vlucht, dit keer naar Nieuwe Pekela (Groningen). Onderweg verliezen ze daarbij vader uit het oog. Na de bevrijding keert moeder samen met haar drie kleine kinderen terug naar Almelo. Deze keer lopend; een voettocht van enkele weken. Vader blijkt na de bevrijding gevangen te zijn genomen in verschillende kampen, onder andere in het Interneringskamp Westerbork. Gedurende Jeannes jeugd wordt het verleden van haar ouders haar voortdurend nagedragen en wordt zij hiermee gepest. In de jaren negentig besluit Jeanne de rol van haar ouders bij het Nationaal Archief te onderzoeken. De uitkomst van het onderzoek is voor Jeanne schokkend. "Wat ik daar las was de aanzet om iets met mijn verleden te doen. Ik realiseerde mij dat mijn verleden me nog steeds belastte, dat ik dat met me meedroeg." Als psychotherapeut heeft Jeanne veel oorlogskinderen uit de Japanse bezetting geholpen. Daarnaast is ze als vrijwilliger actief voor de Werkgroep Herkenning, een organisatie voor hulp aan (klein)kinderen van politiek foute ouders.

Co Knuppelder
dwangarbeid

Co Knuppelder (Amsterdam, 1924) groeit op in Amsterdam. Als de oorlog uitbreekt is Co 16 jaar oud. Tijdens de eerste twee jaar van de oorlog ziet hij hoe Joden worden opgepakt en weggevoerd. Wanneer hij 18 jaar oud is, is hij zelf aan de beurt: hij moet zich melden om als dwangarbeider ingezet te worden in Duitsland (Arbeitseinsatz). Hij komt terecht in de fabriek “Rheinmetall Borsig”in Berlijn en moet daar vliegtuigbommen fabriceren. Na een halfjaar wordt hij overgeplaatst naar Brandenburg, en weer een halfjaar later naar Guben, een plaats aan de Poolse grens. Hier moet Co zware machinegeweren produceren. In de spaarzame vrije tijd gaat Co regelmatig in het geheim naar een communistisch, fel anti-nazistisch Duitse familie in de buurt. Daar luistert hij stiekem naar Radio Oranje. Wanneer dit wordt ontdekt moet Co voor straf 3 maanden lang zwaar graafwerk verrichten aan de loopgraven. In 1945 moeten alle dwangarbeiders vluchten voor de oprukkende Russen aan het oostfront. Nachtenlang loopt Co met ca. 3500 andere dwangarbeiders kriskras door Duitsland, onderweg beschoten door geallieerde vliegtuigen. Het lot is Co niet gunstig gezind, want hij wordt met 3 andere mannen opgepakt en wederom als dwangarbeider aan het werk gezet, ditmaal als technische tekeningen te maken voor de vliegtuigindustrie, wederom aan de Poolse grens. Na 3 maanden volgt wéér een vlucht voor het oprukkende Russische leger. Deze vlucht eindigt wanneer ze de Amerikaanse linies bereiken. Omdat Duitsland in puin ligt en er geen vervoer is, moet Co lopend naar huis. Na 2 maanden lopen komt hij aan in Nederland.

Orpa Goergoerem
Moluks

“Wanneer ik vertel dat ik in Schattenberg, kamp Westerbork, geboren ben, dan schrikt iedereen altijd”. Orpa Goergoerem is geboren in 1952 in Woonoord Schattenberg, het voormalige Kamp Westerbork. Haar vader heeft als Koninklijk Nederlands Indisch Militair meegevochten in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd en moet kort na het uitroepen van de Republiek het land verlaten. Samen met Orpa’s moeder vertrekt hij naar Nederland. Ze komen terecht in Woonoord Schattenberg en twee dagen na aankomst bevalt Orpa’s moeder hier van een zoon. Sjors sterft in het kraambed. Voor haar vader wordt het drama nog groter als hij kort hierna te horen krijgt dat hij geen militair meer mag zijn. “De teleurstelling bij mijn vader was erg groot. Hij was militair en had een bepaalde status en opeens was hij helemaal niets meer... “. Het tijdelijk verblijf in Nederland blijkt in de jaren die volgen een illusie te zijn. De opvoeding van de kinderen blijft al die tijd echter in het teken van ‘de terugkeer’ staan. In Schattenberg woont de familie Goergoerem in barak nummer zeven. “We zaten met meerdere gezinnen in één barak. Daarnaast had ik ook nog twee ooms die bij ons inwoonden. Het was altijd een drukke, maar wel gezellige boel”. Het leven van Orpa is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van haar geboorteplek: Kamp Westerbork alias Woonoord Schattenberg.

Erik Kuiper
jonge veteraan

Erik Kuiper is geboren in 1961 te Rijswijk. Als 18-jarige gaat hij in militaire dienst. Op zijn 19e wordt hij uitgezonden op missie naar Libanon, waar dan een burgeroorlog gaande is. Van november 1980 tot mei 1981 is Erik actief als militair in Zuid Libanon (VN-vredesmissie UNIFIL). Hoewel Erik slechts een minimale EHBO-opleiding heeft gehad, krijgt hij verantwoordelijkheid voor de medische verzorging van zowel de UNIFIL-militairen alsook de plaatselijke bevolking. Een oude vrachtwagen doet dienst als ambulance; communicatiemiddelen zijn niet beschikbaar. Dag en nacht is constante paraatheid nodig: de strijd ligt constant op de loer, en er zijn vaak beschietingen. Erik loopt ook patrouilles, zowel overdag als 's nachts. Altijd is er gevaar voor mijnen. Een 10-jarig jongetje die bij het spelen met onontplofte munitie zijn arm kwijtraakt, wordt door Erik medisch behandeld. Diepe indruk maakt het verongelukken van een Nederlands militair op de UNIFIL-post. In 1981 komt Erik weer terug naar Nederland, en beëindigt zijn militaire dienstplicht. Als veteraan merkt hij dat zijn uitzending naar Libanon voor hem een verrijkende en indrukwekkende periode in zijn leven is geweest. Zijn motivatie als gastspreker vindt hij in het overbrengen "dat vrede en vrijheid, hier en elders in de wereld, niet vanzelfsprekend zijn en dat de inzet van Nederlandse militairen daarvoor niet vergeten wordt."

Mediakit

Wenst u in contact te komen met een ooggetuige of gastspreker? Bespreek uw wensen met het team van het Landelijk Steunpunt Gastsprekers via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of 0593-592600.

Heeft uw wens betrekking op Kamp Westerbork, neemt u dan contact op met onze collega’s van Kamp Westerbork via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of 0593-592600.

steun ons